Lijfrente, de spelregels

Lijfrente, de spelregels

In Nederland is het maximale pensioen 70% van het laatst verdiende loon. En maar liefst 85% van de gepensioneerden heeft een lager pensioen; het zogenaamde pensioengat. Voor velen, en wellicht voor u aanleidng om hier iets aan te doen. Een mogelijkheid is lijfrente sparen. Leningen-Verzekeringen heeft voor u de spelregels rondom lijfrente op een rij gezet.

Lijfrenteverzekeringen

De gedachte achter de fiscale behandeling van een lijfrente is eenvoudig: premie nu aftrekken, belasting later betalen over periodieke uitkeringen. Het wordt hierdoor aantrekkelijker een aanvulling te regelen voor je pensioenperiode. Dit past goed in het beleid van de terugtredende overheid. De belastingbetaling moet wel plaats vinden, maar wordt uitgesteld.

In de huidige Wet Inkomstenbelasting vallen de premies voor lijfrenteverzekeringen onder de uitgaven voor inkomensvoorzieningen. De premies die betaald worden voor een lijfrenteverzekering zijn aftrekbaar als aan twee hoofdvoorwaarden wordt voldaan:

• de lijfrenteverzekering voldoet aan de voorwaarden omtrent de toegestane lijfrentevormen (oudedagslijfrente, nabestaandenlijfrente, overbruggingslijfrente, tijdelijke oudedagslijfrente);
• de premie is niet hoger dan de maximaal aftrekbare lijfrentepremie.

Welke premie voor u maximaal aftrekbaar is afhankelijk van de persoonlijke omstandigheden. Op grond van de volgende mogelijkheden kan bepaald worden wat de maximale  hoogte is van de lijfrentepremieaftrek:

• jaarruimte;
• inhaalruimte;
• omzetting OR (Oudedags Reserve voorheen FOR)  in lijfrente;
• omzetting stakingswinst in lijfrente.

De laatste twee mogelijkheden hebben enkel betrekking op zelfstandig ondernemers.

LIJFRENTEVERZEKERINGEN ONDER DE HUIDIGE FISCALE WETGEVING

Uitgaven voor inkomensvoorzieningen

Premies die betaald worden voor een lijfrenteverzekering kunnen deel uit maken van de uitgaven voor inkomensvoorzieningen. Deze uitgaven voor inkomensvoorzieningen zijn afrekbaar in box 1.
Premies voor lijfrenteverzekeringen zijn aftrekbaar, indien de lijfrenteverzekering zelf voldoet aan de voorwaarden. Een van deze voorwaarden heeft betrekking op de toegestane lijfrentevormen. De lijfrentepremies zijn niet onbeperkt aftrekbaar. Alleen indien een pensioentekort kan worden aangetoond is de premie aftrekbaar.
Definitie lijfrenteverzekering

Volgens de Wet Inkomstenbelasting kan een lijfrenteverzekering als volgt worden gedefinieerd:

“In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder een lijfrente: een aanspraak volgens een overeenkomst van levensverzekering op vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigen uiterlijk bij overlijden, welke aanspraak niet kan worden afgekocht, vervreemd, prijsgegeven, of formeel of feitelijk tot voorwerp van zekerheid kan dienen. Onder een lijfrente wordt mede verstaan de aanspraak op winstuitkeringen voorzover die uitkeringen verband houden met een lijfrente.”

Een lijfrente is afhankelijk van het leven van een persoon: zolang de verzekerde leeft worden uitkeringen gedaan (of: tot de eventuele afgesproken einddatum); als de verzekerde overlijdt stoppen de uitkeringen. Er moet sprake zijn van een reële kans op overlijden. Hiervan is sprake, indien de kans op overlijden minimaal 1% is. Dus, de kans dat de periodieke uitkeringen door het overlijden van de verzekerde stop gezet moeten worden, dient minimaal 1% te zijn.

Voor iemand van 55 jaar of ouder zal bij een duur van drie jaar de lijfrenteverzekering voldoende overlijdenskans inhouden. Wordt eenzelfde soort verzekering gesloten, waarbij iemand van 20 jaar verzekerde is, dan zal de duur van de verzekering ten minste 13 jaar moeten zijn, om voldoende overlijdenskans in de verzekering te hebben.

Een lijfrente mag nooit worden verpand, verkocht of afgekocht. Gebeurt dat toch, dan is er sprake van een handeling die fiscaal gezien niet toegestaan is. Volgens de wet worden dan alle in het verleden afgetrokken premies bij het inkomen opgeteld en wordt tevens het eventuele intrestbestanddeel (waarde minus betaalde premies) bij het inkomen opgeteld. Hierdoor is het mogelijk dat de belastingplichtige ineens geconfronteerd wordt met een hoge belastingaanslag. Daarbovenop zal de fiscus 20% revisierente in rekening brengen. Een lijfrente kan in de vorm van een zuivere lijfrente en in de vorm van een gerichte lijfrente worden gesloten. Voor beide vormen is aftrek van de lijfrentepremie mogelijk.

Zuivere lijfrente
Een zuivere lijfrente is een lijfrente waarvan het verzekerde lijf en de hoogte van de uitkering bij het aangaan van de lijfrenteverzekering worden vastgesteld.

Een zuivere lijfrente kan in twee vormen worden gesloten:
• uitgesteld;
• direct ingaand.

Bij een uitgestelde lijfrente gaan de periodieke uitkeringen niet meteen in, maar over bijvoorbeeld drie jaar. De hoogte van de uitkeringen staat echter nu al vast.
Bij een direct ingaande lijfrente wordt bij wijze van spreken vandaag de koopsom betaald en gaan volgende maand de periodieke uitkeringen in. De hoogte van de periodieke uitkeringen wordt afgesproken en is mede afhankelijk van de marktrente en de tarieven van de verzekeringsmaatschappij.

Gerichte lijfrente
De gerichte lijfrenteverzekering is de lijfrente die in onze dagelijkse adviespraktijk het meest gesloten wordt. De klant betaalt een premie en er wordt een lijfrentekapitaal opgebouwd, waarvan de uiteindelijke hoogte mede afhangt van de behaalde rendementen. Van het lijfrentekapitaal dat op de einddatum beschikbaar is, wordt een lijfrente, een recht op periodieke uitkeringen, aangekocht. Pas op het moment van aankoop hoeft de klant te beslissen in welke vorm hij de periodieke uitkeringen wil. Hij mag kiezen voor levenslange uitkeringen, voor een tijdelijke uitkering, voor een uitkering met overgang op zijn partner, enzovoorts. Op het moment van aankoop kan pas vastgesteld worden hoe hoog de periodieke uitkeringen zijn.
Toegestane lijfrentevormen

De premie voor een lijfrenteverzekering is aftrekbaar, indien er sprake is van één van de toegestane vormen:

Oudedagslijfrente
Deze lijfrente keert levenslang uit. De uitkeringen mogen op elke gewenste leeftijd ingaan, maar uiterlijk op de 70-jarige leeftijd van de belastingplichtige. De termijnen van de oudedagslijfrente mogen bij overlijden van de partner dalen tot 70% van het oorspronkelijke bedrag. Dit moet wel overeengekomen zijn bij het ingaan van de periodieke uitkeringen.

Nabestaandenlijfrente
De uitkeringen gaan in bij het overlijden van de belastingplichtige(bijvoorbeeld ten gunste van zijn nabestaande partner), bij het overlijden van de partner of bij het overlijden van de gewezen partner. De uitkeringen moeten toekomen aan een natuurlijk persoon, dus niet een rechtspersoon zoals een stichting of een vereniging. De uitkeringen gaan direct na het overlijden van de verzekerde in en eindigen bij het overlijden van de begunstigde. De nabestaandenuitkering mag levenslang of tijdelijk zijn. Als de begunstigde een bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede graad of derde graad zijlijn is, dan eindigt de uitkering uitsluitend bij overlijden dan wel uiterlijk als de begunstigde de leeftijd van 30 jaar heeft bereikt.

Overbruggingslijfrente
De lijfrente dient ter overbrugging wegens verminderd inkomen. De uitkeringen moeten eindigen in het jaar waarin de belastingplichtige 65 jaar wordt, of op eerdere pensioendatum. De uitkeringen mogen niet meer bedragen dan € 58.833 per jaar (2004). Met ingang van 1 januari 2006 is deze vorm niet meer toegestaan. Dit in het kader van de wettelijke beperkingen inzake vroegpensioen

Tijdelijke oudedagslijfrente
De lijfrentetermijnen gaan niet eerder in dan in het jaar waarin de belastingplichtige 65 jaar wordt of eerder met pensioen gaat. De termijnen gaan uiterlijk op de 70-jarige leeftijd in. De looptijd van de tijdelijke oudedagslijfrente moet minimaal 5 jaar zijn. De uitkeringen mogen niet meer dan € 17.652 per jaar bedragen.

Hoogte van de lijfrentepremieaftrek

Lijfrentepremie kan onder de Wet IB 2001 worden afgetrokken op grond van:

• jaarruimte
• inhaalruimte of reserveringsruimte
• omzetting OR in lijfrente (alleen voor ondernemers)
• omzetting stakingswinst in lijfrente (alleen voor ondernemers)

Jaarruimte

Een persoon kan op grond van de jaarruimte een premie investeren in een lijfrente en deze in mindering brengen op zijn inkomen. Deze jaarruimte heeft hij enkel als hij een aantoonbaar pensioentekort heeft gehad in een betreffend jaar; dat wil zeggen, de pensioenopbouw in dat jaar is te laag, gezien het inkomen dat hij heeft.

De jaarruimte kan worden berekend aan de hand van een formule. Deze formule luidt:

0,17 * premiegrondslag – 7,5 * A (minus betaalde lijfrentepremies)

Wat betekent deze formule nu eigenlijk?

De premiegrondslag is het salaris wat een werknemer ontvangt plus alle bonussen, provisies en bijtelling wegens privé-gebruik van de lease-auto(dat is immers ook een stuk verkapt loon). Hier wordt vervolgens de standaard AOW franchise afgehaald van € 10.719. Dit bedrag vormt de grondslag van de premie:Een werknemer mag 17% van dit bedrag aanwenden voor zijn pensioen.

Bij de “A” (factor A)in de formule gaat het alleen om de toename van aanspraak op levenslang ouderdomspensioen, doordat de klant een jaar gewerkt heeft. Dus toename van prépensioen- en tijdelijk ouderdomspensioen blijven buiten beschouwing. Ook nabestaandenpensioen heeft hier geen invloed op.

Bij een eindloon- of middelloonregeling is de aangroei te berekenen door het opbouwpercentage te vermenigvuldigen met de pensioengrondslag (het inkomen waarover pensioen wordt opgebouwd). Heeft de klant een beschikbare premieregeling, dan wordt de beschikbare premie van dat jaar vermenigvuldigd met een percentage dat afhankelijk is van de leeftijd van de klant. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van een tabel. Deze tabel zie je hieronder:

De beschikbare premie (premie werkgever en werknemer) wordt vermenigvuldigd met een percentage. Dit percentage is afhankelijk van de leeftijd en de uitkomst wordt vermenigvuldigd met 7,5.

Leeftijd     Percentage

15 – 20         30 %
20 – 25         24 %
25 – 30         20 %
30 – 35         17 %
35 – 40         14 %
40 – 45         12 %
45 – 50         10 %
50 – 55           8 %
55 – 60           7 %
60 – 65           5 %
Pensioenfondsen en verzekeringsmaatschappijen zijn, als uitvoerders van de pensioenregelingen, verplicht binnen een periode van vijf maanden na afloop van het kalenderjaar een opgave te verstrekken aan de belastingplichtige, waarin wordt aangegeven wat de pensioenaanwas over het betrokken kalenderjaar was. Hierop kan men dus zien wat de ‘’A’’ (factor A) is.

Voorbeeld:

Anna heeft een salaris van € 65.000. Verder heeft zij geen inkomsten. Ze bouwt 1,75% op en haar bedrijfsgebonden AOW franchise is € 16.000. Anna heeft de volgende jaarruimte:

65.000 – 10.719 = 54.281(de premiegrondslag)

Anna mag 17% van € 54.281 aanwenden voor haar pensioen = 9228

Zij heeft een factor A van: 65.000 – 16.000 = 49.000*1,75% = € 858

Dus: 9228 –(7,5 *858) = € 2793 is de jaarruimte

*Indien Anna al een lijfrente-investering gedaan heeft moet dit van de jaarruimte afgehaald worden

Het privé gebruik van een lease-auto leidt tot een bijtelling in box 1. Het privé gebruik wordt dus als een belastbare beloning gezien.

Personen met een lease-auto hebben dankzij deze lease-auto een hogere lijfrentepremieaftrek. Immers, de bijtelling verhoogt de premiegrondslag in de formule. Eventuele eigen bijdragen mogen op de bijtelling in mindering komen.