AOW, hoe zit dat nu precies?

AOW, de Algemene Ouderdomswet hoe zit dat nu precies?

De AOW vormt een deel, en voor sommigen het hele pensioen voor inwoners van Nederland vanaf 65 jarige leeftijd maar hoe zit het nu precies? Leningen-Verzekeringen heeft de feiten rondom AOW helder voor u op een rij gezet.

Wie zijn verzekerd?
Verzekerd zijn alle Nederlandse ingezetenen tot 65 jaar. De nationaliteit doet er niet toe; het gaat erom dat de persoon in kwestie rechtmatig in Nederland woont. Daarnaast zijn nog een aantal uitzonderingscategoriën verzekerd, onder meer:

• Nederlanders die in het buitenland wonen en daar in Nederlandse overheidsdienst werkzaam zijn;
• niet-ingezetenen die in Nederland in loondienst werken en op grond daarvan loonbelasting betalen.

Wie betalen de premies?
In beginsel zijn alle verzekerden met een inkomen premieplichtig. De AOW-premie (en de premies voor Anw en AWBZ) wordt tezamen met de inkomsten- (of loon-)belasting geheven over de eerste twee tariefschijven in box 1.

Wanneer is er recht op een AOW-uitkering?
De AOW-uitkering gaat in op de eerste van de maand waarin de uitkeringsgerechtigde 65 jaar wordt. Dus, iemand die op 5 maart 1950 wordt geboren, heeft vanaf 1 maart 2015 recht op een AOW-uitkering en krijgt dus in de maand maart van 2015 zijn eerste volledige AOW-maandbedrag. De AOW-uitkering moet drie maanden voor deze datum worden aangevraagd bij de Sociale Verzekeringsbank. De Sociale Verzekeringsbank is namelijk de uitvoerder van de AOW.

Hoe hoog zijn de AOW-uitkeringen?
Per 1 januari zijn de uitkeringen op jaarbasis, inclusief vakantiegeld, als volgt:

AOW voor één gehuwde persoon (dus per gehuwde ouder dan 65 jaar)                                            €  8096,52

AOW voor een alleenstaande         €  11830,68

AOW voor één ouder gezin            €   14684,76

Opbouw van de AOW-uitkering
De AOW-uitkering wordt in 50 jaar opgebouwd, vanaf de 15-jarige tot de 65-jarige leeftijd. Elk jaar wordt 2% opgebouwd, zodat na 50 jaar recht bestaat op 100% van de toepasbare uitkering. In deze situatie is “recht” overigens een betrekkelijk begrip. Het feit dat premies worden betaald voor de AOW, betekent niet dat een aanspraak op een toekomstige AOW-uitkering wordt verworven. Iemand die op zijn 25ste verjaardag in Nederland komt wonen bouwt tot zijn 65ste 80% op, namelijk 40 jaren maal 2%. Als deze persoon alleenstaand zou zijn, zou tegenstelling tot premies die voor een pensioen van de werkgever worden betaald, de uitkering in 2005 € 9.464,54,- op jaarbasis bedragen, zijnde 80% van € 11.830,68.
Partnertoeslag
Als de partner van de AOW-er ook 65 jaar of ouder is, dan ontvangt elke partner de uitkering voor een gehuwde AOW-er. Volgens de gegevens van 1 januari 2006 heeft elke partner dan recht op een uitkering van € 8096,52, zodat zij gezamenlijk € 16.193,04 ontvangen. Wat nu, als de partner nog geen 65 jaar is? Dan kan de AOW-gerechtigde in aanmerking komen voor een toeslag op zijn of haar  uitkering. Deze toeslag is maximaal gelijk aan de AOW-uitkering voor een gehuwde. De toeslag is inkomensafhankelijk. Heeft de partner geen inkomen, dan is de toeslag maximaal. Heeft de partner wel inkomen, dan wordt de toeslag gekort met een deel van dit inkomen.

Bij deze inkomenstoets wordt alleen gekeken naar het inkomen uit of in verband met arbeid van de jongere partner. Inkomsten in verband met arbeid zijn uitkeringen, zoals uitkeringen uit werknemersverzekeringen, VUT-uitkeringen en werknemerspensioen. Inkomsten in verband met arbeid worden volledig gekort op de partnertoeslag.

Inkomsten uit arbeid zijn bijvoorbeeld winst en salaris. Deze inkomsten zijn tot op zekere hoogte vrijgesteld. De vrijstelling bedraagt 15% van het brutominimumloon plus eenderde deel van het bruto inkomen boven deze 15%. Het bruto inkomen verminderd met de aldus bepaalde vrijstelling komt op de partnertoeslag in mindering.

Het bruto minimumloon bedraagt € 16.493,00 per jaar (inclusief vakantiegeld).

Voorbeeld:
Meneer Gerritsen is onlangs 65 jaar geworden. Mevrouw Gerritsen is 60 jaar. Mevrouw Gerritsen werkt en verdient € 10.000 per jaar. De hoogte van de partnertoeslag kan nu als volgt worden berekend:
15% van het brutominimumloon is € 2.459. Het inkomen van € 10.000 minus € 2.474 is € 7.541. Hiervan is een derde vrijgesteld, dat is € 2.514,00. De totale vrijstelling is dan € 2.459,00 + € 2.514,00 = € 4.973,00. Het deel van het inkomen dat niet vrijgesteld is, is uiteraard het verschil tussen € 10.000,00 en de vrijstelling van € 4.973,00. Dit is € 5.027,00. De maximale toeslag van € 7.956,00 wordt dus gekort met € 5.027,00. De toeslag bedraagt derhalve € 2.929,00. In totaal ontvangen de heer en mevrouw Gerritsen samen dus een AOW-uitkering van € 10.885,00.

Bij een bruto inkomen van de partner van € 14.203,00 of meer op jaarbasis, heeft de AOW-gerechtigde in het geheel geen recht meer op een toeslag voor de jongere partner.

AOW-gat
Ingezetenen die op of na 1 januari 1950 zijn geboren hebben geen recht meer op een partnertoeslag. Met andere woorden, iedereen die op 1 januari 2015 of na die datum voor het eerst een AOW-uitkering ontvangt, kan geen aanspraak meer maken op een partnertoeslag voor een jongere partner.

Nog anders gesteld: iedereen die vanaf 2015 65 jaar wordt en een jongere partner heeft, heeft door het verdwijnen van de partnertoeslag een tekort. Dit tekort wordt het AOW-gat genoemd.

Voorbeeld: wij gaan terug naar het voorbeeld van de heer en mevrouw Gerritsen uit de vorige subparagraaf. Indien de heer Gerritsen op of na 1 januari 2015 65 jaar wordt, dan kan hij geen partnertoeslag ontvangen voor mevrouw Gerritsen. Hij ontvangt alleen zijn eigen AOW-uitkering ter grootte van € 8.096,52 per jaar (gegevens van 1 januari 2005). Zijn echtgenote ontvangt pas een AOW-uitkering als ook zij 65 jaar is geworden. De heer en mevrouw Gerritsen missen nu vijf jaar lang €8.096,52